Een typische carnavalsdansvorm wordt gepresenteerd door het uit het Rijnland afkomstige Dansmarietje. Elke zich respecterende soevereine ‘carnavalsstaat’, met aan het hoofd een vorst of Prins, zal in zijn parodie op de staatsvorm van alledag ook het leger en defensie parodiëren. In Keulen zijn de gardes ooit ontstaan om met name het militarisme van de Pruisen belachelijk te maken. De garde vormt een ‘schertsleger’ dat zo ongeveer alles doet waarmee een normale compagnie zich belachelijk zou maken.
Carnaval is ondenkbaar zonder eigen levensliederen en liedjesavonden. Ze zijn een uitingsvorm van de eigen cultuur, de eigen leefstijl, immers, in de carnavalstijd de normale cultuur gerelativeerd wordt. Het carnavalslied is een cultuuruiting bij uitstek, een ventiel van creativiteit voor velen. Het lied is vrijwel altijd het resultaat van een flitsende inval en daarna van een lang rijpingsproces, want men wil tenminste een lied maken voor een jaar, een volkslied tijdens de regeringsperiode van de prins, geen eendagsvlieg, maar een ’evergreen’.
De carnavalsgroet is naar men vermoedt ontstaan in de 19e eeuw als een parodie op de inval van de Pruisen in het Rijnland in 1713. Vooral in Keulen werden carnavalsgardes gevormd om het militarisme van de Pruisen belachelijk te maken, met een carnavalsgroet, die de normale militaire groet als het ware omkeert, met een schertsleger – de garde – dat zo ongeveer alles doet waarmee een normale compagnie zich volslagen belachelijk zou maken.
Een van de oudste vormen van de carnavalsoptocht is het rondtrekken door een dorp of stad, of van de ene plaats naar de andere, met een schip of schuit op wielen, een ‘Narrenschip’. Dit vaartuig kan als symbool gezien worden van het reizen naar een andere wereld, een doortocht door de onderwereld of naar de ondergang.
Op de woensdag na carnaval komt het normale leven weer op gang. Voor de een is woensdag weer een gewone werk- of schooldag, voor de ander een extra vrije dag om de ergste vermoeidheid uit de botten te krijgen. Het is op deze woensdag na carnaval gebruikelijk om ’s avonds nog even naar het stamcafé te gaan om ‘haring te happen’.
Vooral in Eindhoven was de dinsdag voor de carnavalsorganisatie (FEC) een problematische dag vanwege de geringe opkomst van carnavalisten. Want hoe vreemd het ook klinkt: er was vaak weinig meer te doen, omdat men door de voorgaande carnavalsdagen al verzadigd of platzak was. Mede daarom ontstonden er bijvoorbeeld op veel carnavalsplaatsen competities tussen boerenhermeniekes, joekskapellen en zaate hermeniekes die om het hardst spelen, het meest vals of wie de langste adem heeft.
De drie dolle dagen zijn, sinds in de jaren ’60 de vrije zaterdag werd ingevoerd, in steeds meer plaatsen uitgebreid met de zaterdag. Daardoor heeft deze het karakter gekregen van een startdag. In plaatsen met een jonge carnavalstraditie trekken tijdens deze dag de optochten voorbij.
Een hoogtepunt dat vaak plaatsvindt in de laatste week voor carnaval is de prinsenreceptie. Daarnaast wordt, naar het Rijnlandse model van de ”Weiberfastnacht”, een zogenaamde ‘Vrouwen-Vastenavond’ gevierd op donderdag of vrijdag voor Vastenavond. De vrouwen spelen dan de baas. Ze laten zich niets door de mannen zeggen; er worden klopjachten op mannen gehouden of mannen kunnen zich dan niet zonder risico vertonen.
Afhankelijk van de lengte van het carnavalsseizoen (of carnaval vroeg of laat in het jaar valt) volgt na Driekoningen een meer of minder intensief programma van zittingen, revues, bals, en specifieke manifestaties en evenementen. Het belang van deze voorfase moet niet worden onderschat. Het is de tijd van het ‘voortsudderen’. Geleidelijk treedt door deze premanifestaties, door liedjes die men hoort, door zelf te spelen in boerenkapellen of in de Limburgse zaate hermeniekes / joekskapellen, door concoursen voor dansmarietjes, door buutreedners / tonpraoters-bijeenkomsten, een carnavalistische hersenspoeling op.
In de volkscultuur was de twaalfdaagse periode van Kerstmis tot Driekoningen, de twaalf heilige nachten, vroeger van veel belang, maar de betekenis ervan is erg verwaterd. Op 28 december worden nog steeds op enkele plaatsen de “onnozele” kinderoptochten georganiseerd of zijn deze weer in ere hersteld. Het vroegere Driekoningen (op 6 januari, waarbij men de kerstboom mag aftuigen) is historisch nauw verwant aan de Vastenavond gebruiken. Het feest fungeerde oorspronkelijk als een nieuwjaarsfeest en/of de verdrijving van het oude jaar. Dit is een kerstening van nog oudere heidense gebruiken. In voorchristelijke tijden was 1 maart het nieuwe jaar. Het werd vormgegeven door het verdrijven van een “ald wief” (een oud wijf).